E-mail
Brandstraat 11 | Postbus 100
5740AC Beek en Donk
T. 0492 46 34 95
F. 0492 46 39 55

Verklarende woordenlijst

Aanverwanten:
de bloedverwanten van de ene echtgenoot of geregistreerde partner; ook wel aangehuwden genoemd.
Akte:
ondertekend (en gedagtekend) geschrift waarin feiten, handelingen, gebeurtenissen en/of verklaringen zijn vastgelegd; de akte dient als bewijs van datgene wat in de akte geschreven staat. Een authentieke akte is opgemaakt door een bevoegd openbaar ambtenaar, zoals de notaris. De notaris kan afschriften afgeven van alle authentieke akten die hij opgemaakt heeft.
Beneficiair aanvaarden:
een bijzondere manier van een erfdeel accepteren. Er moeten bepaalden formaliteiten worden vervuld. Als er niet voldoende bezittingen zijn om de schulden te betalen, hoeft de erfgenaam die beneficiair aanvaard heeft het tekort niet zelf bij te betalen.
Bewind:
onder bewindstelling van goederen van een persoon die door zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat is zijn financiële belangen te behartigen. De rechter stelt het bewind in en benoemt een bewindvoerder. De bewindvoerder kan (ook) via een testament worden aangewezen; maar ook in dat geval moet de rechter de benoeming nog formeel bekrachtigen.
Bloedverwanten:
de personen die een gemeenschappelijke stamvader en/of gemeenschappelijke ‘stammoeder’ hebben.
Codicil:
een met de hand geschreven, van een datum en handtekening voorziene wilsbepaling waarin een beperkt aantal zaken kan worden vastgelegd.
Comparanten:
de personen die voor het opmaken van een notariële akte persoonlijk voor de notaris verschijnen en de akte ondertekenen.
CTR:
Centraal Testamentenregister: het register van alle in Nederland gemaakte testamenten; iedereen kan na iemands overlijden nagaan of de overledene een testament heeft gemaakt en welke notaris dat bewaart.
Curatele:
onder toezichtstelling;
een meerderjarige die zijn belangen niet meer behoorlijk kan behartigen (b.v. wegens geestelijke stoornis), kan door de rechter ‘onder curatele worden gesteld’: er wordt dan een ‘curator’ aangesteld voor de verzorging en het beheer van de goederen van de ‘curandus’ (de onder curatele gestelde). De curandus kan niet langer vrij over zijn vermogen beschikken.
Ook iemand die failliet gaat, krijgt een curator.
Erflater:
degene die overleden is en een erfenis (nalatenschap) achterlaat. Deze nalatenschap kan bestaan uit geld, goederen en/of schulden.
Erfgenamen:
degenen die via de wet of via een testament de erfenis verkrijgen, na aftrek van de eventueel gemaakte legaten.
Erfrecht:
De rechtsregels en wetsbepalingen die de overgang van de nalatenschap op de erfgenamen regelt.
Executeur:
degene die door de erflater is aangewezen om de nalatenschap af te wikkelen.
 
Faillissement:
de toestand waarin iemand heeft opgehouden te betalen, zijn schulden niet meer kan voldoen; de rechtbank spreekt het faillissement uit op verzoek van de schuldeisers.
Geldvordering:
het recht om van een ander geld te krijgen.
Gunning:
het gunnen, toewijzen na een bieding van een op een veiling ten verkoop aangeboden object. Wanneer een openbare verkoop van b.v. een huis gehouden wordt, is de koop pas rond wanneer de verkoper/veilende hypotheekhouder de woning aan de hoogste bieder toewijst.
Hypotheekakte:
akte waarin zekerheid wordt gegeven voor de terugbetaling van de schuld. De zekerheid wordt geregeld door een ‘pandrecht’op een woning of grondperceel te vestigen. Een dergelijk pandrecht wordt hypotheek genoemd.
Kadaster:
het openbare register waarin alle onroerende zaken zijn vermeld. Het kadaster maakt onderdeel uit van de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Registers. Met behulp van de kadastrale en openbare registers kan o.a. uitgezocht worden wie eigenaar is van een woning en welke hypotheken er op die woning rusten.
Legaat:
geld of goed dat de overledene via een testament aan een bepaald persoon of instelling (de legataris) heeft nagelaten. De erfgenamen zijn verplicht dit af te geven.
Legitimarissen:
de erfgenamen die volgens de wet recht hebben op een in de wet bepaald deel van de nalatenschap; de zogenaamde legitieme portie. Als de erflater deze legitieme portie van de legitimarissen afneemt, b.v. door een beschikking in een testament, kunnen zij daar na zijn overlijden bezwaar tegen maken.
Onroerend:
onroerende zaken zijn voornamelijk grond en gebouwen met wat daaraan vast zit (‘aard- en nagelvast').
Overdrachtsakte:
ook wel leveringsakte of transportakte genoemd; de notariële akte waarmee de overgang van het eigendom van verkoper naar koper wettelijk bekrachtigd wordt.
Ontbindende voorwaarden:
door het opnemen van ontbindende voorwaarden in een getekend koopcontract bestaat er toch een mogelijkheid om onder de koop uit te komen. Zo'n voorwaarde kan zijn dat de financiering geregeld is, of dat een gemeentelijke woonvergunning verkregen wordt.
Passeren:
het ondertekenen van een notariële akte. Wordt ook wel eens verlijden genoemd.
Rechtspersoon:
een organisatievorm die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. B.v. stichting, vereniging, naamloze vennootschap en besloten vennootschap.
Registergoed:
een goed, waarvan het eigendom alleen kan wisselen door inschrijving in het kadastraal register. Bijvoorbeeld: een woning.
Roerend:
roerende zaken zijn verplaatsbare goederen, zoals gordijnen, kasten, lampen.
Statuten:
de grondregels van een rechtspersoon: zij bevatten de naam, het doel, de plaats van een vestiging, het kapitaal en nog vele andere regels m.b.t. de zogenaamde juridische structuur van een rechtspersoon.
Schenkingsrecht:
de belasting die wordt geheven over de waarde van een schenking.
Successierechten:
verschuldigde belasting over een erfenis.
Surséance van betaling:
uitstel van betaling; de rechter kan bepalen dat de schuldenaar zijn schulden voorlopig niet hoeft te betalen. Surséance is altijd voorlopig en wordt óf gevolgd door een regeling met de schuldeisers óf door een faillissement.
Testament:
een notariële akte waarin iemand een regeling voor zijn erfenis treft die afwijkt van de wettelijke vererving.
Testateur:
degene die bij de notaris een testament laat opstellen en ondertekent.
Tweetraps-making:
een testament waarin is bepaald dat de nalatenschap overgaat op een erfgenaam en bij het overlijden van die erfgenaam het restant van de nalatenschap weer naar iemand anders overgaat.
Uitsluitingsclausule:
een regeling in een testament om te voorkomen dat een kind zijn erfenis bij echtscheiding moet delen met de ‘ex'.
Verblijvingsbeding:
regeling waarbij twee partijen hebben afgesproken dat (alle) gemeenschappelijke goederen bij overlijden van de één eigendom worden van de ander.
Vereffenaar:
de persoon die door de rechter wordt aangewezen om de nalatenschap af te wikkelen, als de erfgenamen niet gevonden kunnen worden. Soms kan ook een erfgenaam vereffenaar zijn.
Verklaring van erfrecht:
een notariële verklaring waarin de noatris verklaart wie is overleden of de overledene een testament heeft opgemaakt, wie erfgenaam is en of de erfgenamen iemand aanwijzen om namens hen de nalatenschap verder af te wikkelen.
Versterferfrecht:
rechtsregels die automatisch gelden voor de vererving; dus als er geen testament is gemaakt (ook wel wettelijk erfrecht genoemd).
Volmacht:
de verklaring van iemand dat hij een ander de bevoegdheid geeft bepaalde (rechts)handelingen voor hem te doen; meestal schriftelijk.
Voogdij:
een voogd behartigt de belangen van minderjarige kinderen als beide ouders zijn overleden.
Vruchtgebruik:
het recht om goederen die aan een ander (hoofdgerechtigde) toebehoren, te gebruiken en daarvan ‘de vruchten’ te genieten, zoals rente. Het vruchtgebruik eindigt bij de dood van de vruchtgebruiker. Of eerder, als partijen dat in een regeling zijn overeengekomen.
Wilsbeschikking:
een regeling die iemand maakt om te bepalen wat er na zijn overlijden moet gebeuren (ook wel uiterste wilsbeschikking genoemd). Gemakshalve vaak aan een testament gelijkgesteld.
Wilsrechten:
het recht dat een kind heeft om goederen uit de nalatenschap van een ouder in eigendom te krijgen als sprake is van stieffamilie.